Filosoof Thijs Goverde begon een voedselbos
In 'De klootzakkenboom' kraakt Thijs Goverde enkele kwade noten over het landbouwbeleid, en hij vertelt enthousiast over zijn eigen voedselbos
Eind november 2025 stuurde vriend Jan me bovenstaande foto, genomen in een boekhandel, van De klootzakkenboom – Waarom ik een voedselbos begon en wat er daarna allemaal misging (Oké, soms ook goed) van Thijs Goverde.
Een nieuw boek van een Nederlander die een voedselbos is begonnen, met een fraaie omslag, dat wilde ik lezen. Voor 15,26 euro bestelde ik het boekje (142 pagina’s met illustraties van Bas Blankevoort) via Amazon, ook met het idee om het te bespreken in deze neorurale nieuwsbrief – waarop je je via dit formuliertje kunt abonneren, mocht je dat nog niet hebben gedaan:
Thijs Goverde (1971) studeerde filosofie, zo staat op de omslag, wat ik sympathiek vind, want dat doen alleen ernstige mensen die graag dikke boeken lezen, die zin van onzin willen leren onderscheiden en wier ambities de loonslavernij en het meedoen aan de consumptiemaatschappij overstijgen (full disclosure: ik heb zelf een blauwe maandag filosofie gestudeerd, samen met de Jan die mij de foto stuurde, schrijver van Heemvriend).
Na zijn studie werd Goverde cabaretier en schreef hij 25 kinderboeken, twee feiten die mij totaal onbekend waren, net als de schrijver zelf, maar die waarschijnlijk verklaren waarom zijn relaas soms een nogal ‘komische’ toon heeft, op het storende af, met korte zinnen en veel accenten en uitroeptekens.
Maar! Dat wil niet zeggen dat het boek gespeend is van kwaliteiten. In twintig hoofdstukjes (‘een soort columns die alle kanten op lijken te springen’) vertelt Goverde over zijn voedselbos, geeft hij kritiek op de ‘gewone’ landbouw en pleit hij voor voedselbossen als een alternatieve vorm van voedselproductie.
Klimaatcatastrofe
In 2005 raakt Goverde ervan overtuigd dat hij iets moet doen om zich voor te bereiden op ‘de aanstaande kladderadatsj’ van de klimaatcatastrofe. Online leest hij de tip ‘Maak jezelf onmisbaar’ en voedsel verbouwen lijkt hem een essentiële vaardigheid als het systeem in elkaar dondert. ‘Bovendien: ik had een voortuin, dus kon ik mooi oefenen. En zo begon het allemaal.’
Met vallen, opstaan en een hoop omgekeerde emmers met bakstenen erop – deel van het ‘wat er allemaal misging’ uit de ondertitel – komt hij via voortuin en volkstuin uit bij het (idee van een) voedselbos. De bomen en struiken in zijn voortuin doen het goed, dus koopt hij – samen met zijn ouders, die nog wat spaargeld over hadden, lucky Thijs – twee hectare dure Nederlandse landbouwgrond om een voedselbos op aan te leggen. De Dassenhof, noemt hij zijn bos in aanbouw op een voormalige maisakker in de buurt van Nijmegen.
Het vinden van dat land was een zoektocht van vijf jaar, met specialistische hulp van een landbouwmakelaarskantoor. De hoon die hun daar ten deel valt als zoon Thijs vertelt dat hij een voedselbos wil beginnen, doet denken aan een scène uit Rooted van Sarah Langford, die wordt vernederd door een landbouwadviseur als ze hem vertelt dat ze aan voedselbosbouw wil doen. Zo ook Thijs Goverde: een van de landbouwmakelaars lacht schamper over het idee van een voedselbos en kijkt naar zijn collega, ‘om zich ervan te vergewissen dat hier een stadse betweter, zonder enige achtergrond in de landbouw, met een diploma in de filosofie godbetert, aan twee ervaren landbouw-adviseurs kwam vertellen dat zij het allemaal verkeerd zagen.’
De kar van de landbouwrevolutie zal in elk geval niet door de landbouwadviseurs worden getrokken, ondanks alle trekkers die ze tot hun beschikking hebben – zoveel is duidelijk.
Stupide landbouwbeleid
Met de nu gangbare landbouw is veel mis, schrijft Goverde: kunstmest, gif, pfas, monocultuur, schaalvergroting, stikstof, mest, bodemverzuring en ga zo maar door. ‘Ik kan het niet nalaten op te merken’, schrijft hij, ‘dat onze landbouw – met al zijn gif, zijn vervuiling en zijn omgang met vee (die je in sommige gevallen nog het beste kunt omschrijven als langdurige en systematische marteling) – opvallend goed past bij onze beschaving, die een rijke traditie heeft van onderwerpen en uitroeien.’
Hij overziet ‘de stupiditeit van ons landbouwbeleid’, waarin volgens hem de verkeerde dingen worden gesubsidieerd en beboet. Zijn voorstel: ‘Wil je minder landbouwgif in je drinkwater? Gooi een dikke belasting op landbouwgif. Wil je een leefbaar platteland? Subsidieer boeren niet langer per hectare. Wil je meer biodiversiteit? Subsidieer boeren voor het aantal verschillende bomen en struiken dat ze per hectare aanplanten.’
Met betrekking tot mest: ‘Boeren zitten met een bizarre berg regeltjes opgescheept. Die gaan allemaal over de manier waarop mest op het land wordt toegepast. Maar de enige maatregel die daadwerkelijk helpt is: de productie van mest beperken.’
Klootzakken aan de macht
Dat klinkt niet onredelijk, integendeel: het klinkt redelijk. Goverde heeft evenwel weinig vertrouwen in ‘de politiek’ om deze problemen op te lossen. Sterker nog, ‘in ons land zijn al vele jaren de klootzakken aan de macht’. De temperatuur neemt onderwijl toe, plant- en diersoorten sterven uit en mens en dier krijgen steeds meer te maken met infectieziekten, zoals vogelgriep en covid. ‘Goed bezig, klootzakken!’ schrijft Goverde.
De oplossing zal volgens hem van onderop moeten komen, van mensen zoals hij: ‘Van mensen die hun tuintje een vrijplaats maken voor insecten en andere beestjes. Van boeren die, geheel tegen de keer in, besluiten dat het anders kan. Van filosofen en kunsthistorici en ICT’ers en communicatiemedewerkers, die hun werk en opleiding achter zich laten en een voedselbos of een permacultuurtuin uit de grond proberen te stampen.’
Lekker, dacht ik, want dat geldt ook voor ons. Wij zijn dus ook deel van de oplossing van onderaf. Thijs Goverde is onze wapenbroeder. Door bomen te planten en zelf eten te verbouwen, regeneratief uiteraard, verzetten we ons tegen de klootzakken die aan de macht zijn. Viva la revolucion. Voedselbosboeren aller landen, verenigt u!
Manifest voor de voedselbosbouw
Het politieke deel van De klootzakkenboom leest als een manifest voor de voedselbosbouw, en door de ironische toon heeft het iets weg van een schotschrift, maar de hoofdmoot van de twintig column-achtige hoofdstukjes bestaat uit weetjes over (zijpaden in) het voedselbos. Het voelt alsof je met Thijs Goverde door zijn Dassenhof struint en hij je bij elk plantje vertelt wat hij erover heeft gelezen. Vermakelijk, vaak interessant ook, maar wel een beetje van de hak op de noten-, peren- of kersentak.
Dat je de jonge, nog opgerolde bladeren (fiddleheads) van varens kunt eten, wist ik bijvoorbeeld niet. Rondom ons huis groeien meerdere soorten varens, het bereiden daarvan ga ik eens grondig uitzoeken en dit voorjaar proberen. Duizendblad tiert hier ook welig, en dat ‘trekt zweefvliegjes aan die dol zijn op de bladluizen waar je appelboom last van heeft’. Goverde beschrijft vele soorten en tijdens het lezen kon ik het niet laten om er enkele te bestellen om die hier te zaaien of te planten, zoals smeerwortel en Chinese yam.
Ook is er een heester, schrijft Goverde, de pimpernoot, waarvan de nootjes eetbaar zijn en de bloesem valt te verwerken tot ‘een soort kruising tussen zuurkool en kappertjes’. De vruchten zijn net balzakjes, waardoor de plant ook ‘de klootzakkenboom’ wordt genoemd. ‘De veeteelt mag zich gesteund voelen door de klootzakken in onze regering’, schrijft Goverde, ‘maar wij voedselbossers… wij hebben de klootzakkenboom.’ Het verklaart de titel, al is onduidelijk wat de boom zal aanrichten in Den Haag. Misschien eens een pot gefermenteerde pimpernootbloesem aanbieden aan de landbouwminister?
De klootzakkenboom is vooral een aanstekelijk enthousiast boek over Goverdes ervaringen in het voedselbos, af en toe best grappig geschreven (‘Over een paar jaar zijn de bomen wat groter, dan mulchen ze jullie helemaal de moeder!’) en af en toe best puberaal/pueriel (‘Een ecosysteem levert ons, als het een beetje lekker draait, leuke hebbedingetjes op. Schoon water om te drinken en zuurstof om te ademen – dat soort geinige spullen.’)
Maar goed, dit is een kwestie van smaak. Ik houd bijvoorbeeld meer van Ton Lemaires stijl in De filosofie van het landschap, al is die pessimistischer: ‘Het lijkt erop dat het platteland op het moment van zijn liquidering zijn charmes erkend en bewonderd ziet. De interesse voor het platteland is een soort eerbetoon aan een levensstijl, een cultuur, die gedoemd is te verdwijnen.’
Het voedselbos als alternatief
Waarom het voedselbos een redelijk alternatief is voor de huidige landbouw, vertelt Goverde na zijn relatief lange uiteenzetting over het falen van het landbouwbeleid: ‘Een voedselbos is in zekere zin de tegenstelling van de intensieve veeteelt: het vergroot de biodiversiteit en het absorbeert stikstof en CO2 (en slaat die op in bomen die eeuwenlang kunnen blijven staan)’.
In een voedselbos hoeft geen extra stikstof te worden toegevoegd, zoals nu meestal wel gebeurt in de landbouw, wat een weg biedt uit de stikstofcrisis. Niet alleen halen de gewassen in het voedselbos stikstof uit de atmosfeer, maar overtollige stikstof wordt opgeslagen door ‘stikstofbinders’: klavers, bonen en sommige bloemen en bomen. Die halen met hulp van bacteriën stikstof uit de lucht en bewaren die in hun bladeren, stengels of wortels.
Doorheen het boek geeft Goverde meer argumenten voor voedselbosbouw: biodiversiteit is minder vatbaar voor ziekten, verbetert de grond en levert dus gezonder voedsel op. Werken zonder landbouwmachines (‘technologisch geweld’) stoot geen CO2 en andere troep uit en de boer en de consument zijn in een voedselbos minder vervreemd van elkaar, de grond en wat ze eten.
Ecologische groei nodig
Gaat hij nog ergens in op de vraag of en hoe je de wereldbevolking kunt voeden met voedselbossen? Dat niet expliciet, maar Goverde geeft wel een voorzet: zoals een kastanjeboom het goed doet in de juiste ecologie, gedijen voedselbossen ook beter als hun ‘ecologie’ wordt verbeterd.
Daarmee doelt hij vooral op kennis en economie. Koks kunnen kookboeken schrijven waarmee ze de vruchten van de veelal onbekende planten en bomen uit voedselbossen populariseren. Kwekers kunnen meer soorten aanbieden, winkels kunnen het voedsel uit het voedselbos in de schappen leggen, er is onderwijs en onderzoek nodig, en zo kun je nog wel even doorgaan. En uiteraard kunnen de klootzakken die aan de macht zijn helpen door biologisch voedsel te subsidiëren en bespoten voedsel te belasten.
Er beweegt al veel op dit gebied, zegt Goverde, en wellicht kan ‘een volgende lichting voedselbossen, zonder dat iemand kan uitleggen hoe dat nou zo opeens mogelijk is, in recordtempo winstgevend worden’. Boeken zoals De klootzakkenboom leveren daar een geinige bijdrage aan.
Wij gaan op zoek naar een klootzakkenboom voor hier in de tuin. Vond je dit interessant, geeft een betaald abonnement je bindingsangst, maar wil je wel iets bijdragen aan deze nieuwsbrief? Via onderstaande knop kun je een klein bedrag naar keuze overmaken, dan gaan wij een pimpernoot aanschaffen en planten.



Grappig, ik ken Thijs persoonlijk als een van de beste kinderboekenschrijvers van Nederland, maar dit wist ik dan weer niet van hem.
Ik zal het boek denk ik ook maar bestellen. Een beetje permacultuur in het bos, een toegepaste filosofie op ons land.
Heb genoten van je stuk.